|
In het begin van de 17e eeuw had het bierbrouwen in Hilvarenbeek een onvoorstelbare vlucht genomen. Aan de Plaetse, nu de Vrijthof, het middelpunt van het dorp, werd er in een vijftal panden gebrouwen. Maar ook in de straten die daar op uit kwamen waren brouwerijen actief. Het ging daarbij lang niet altijd om kleine hoeveelheden. Na de grote dorpsbrand van 1694, die veertig huizen en minstens drie brouwerijen in de as legde waren er nog acht brouwers in Hilvarenbeek. Veelal hadden deze brouwerijen maar één brouwketel die tevens als waterketel werd gebruikt, een situatie die op het Brabantse platteland nog tot in de 20e eeuw kon worden aangetroffen. De inhoud van de ketels bleek te varieëren tussen de acht en de twaalf tonnen (ongeveel 1290 tot 1930 liter). Een enkele uitzondering daargelaten. In 1689 telde Hlvarenbeek 32 herbergiers en brouwers die schuimend bier uit houten vaatjes tapten. Wanneer we het aantal huizen schatten op 300 tot 400, dan betekent dat een openbare drinkgelegenheid per 10 woningen.
Vanaf de 18e eeuw loopt het aantal brouwerijen snel terug. Op 18 oktober 1715 zijn er nog zes adressen met brouwketels. Bij de tappers en taveniers (herbergiers) staan in deze periode verschillende soorten bier en sterke drank in de kelder. Zo werden er in de kelder van Niclaes Smolders tijdens een opneming in 1712 een aantal potten (1 pot = 1 liter), een half anker (1 anker = half vat)en een oxhoofd (1 oxhoofd = 233 liter) gedistilleerde drank, twee tonnen ( 1 ton = 161 liter) bruin bier, een half vat alsembier (1 vat = 80 liter) en vier halve vaten Breda's bier aangetroffen. De inhoudsmaten pot, anker, vat, ton en oxhoofd voor natte waar zijn nu voor het merendeel niet meer gangbaar en konden vroeger regionaal nogal verschillen.
Veel voorkomende biersoorten droegen namen als Bruin bier, Breda's bier, van Middegaels bier (genoemd naar de brouwer), Wit bier (dun bier), alsembier, Diesters bier, Beecks brouwt, inlants bier, drinckbier, leckbier (mindere kwaliteit bier verkregen door van dezelfde hoeveelheid mout voor de tweede maal een aftreksel te maken). Liers bier en Caves (gemaakt van haver, gerst en tarwe).
Het bereiden van de belangrijkste grondstof, de gerstemout, gebeurde veelal in de brouwerij. Voor de kleinere dorpsbrouwerijen in hun nadagen (begin 20e eeuw) en zeker voor de nu nog bestaande brouwerijen was het bezit van een eigen mouterij niet vanzelfsprekend. Vroeger is het bezit ervan algemener geweest.
De combinatie van het brouwersvak met een bestaan als landbouwer maakte het mogelijk om zelf gerst te verbouwen. Voor de mout gebruikt kon worden moest hij worden gemalen. In Hilvarenbeek gebeurde dat halverwege de 19e eeuw op de plaatselijke windmolens. In 1792 zijn er nog drie brouwerijen in Hilvarenbeek, waarvan er twee niet worden gebruikt. Er zijn dan nog 22 herbergiers. Dit betekent een teruggang ten opzichte van een eeuw eerder bij beide categorieën, maar het meest opvallend bij de brouwers.
De teruggang in Hilvarenbeek gaat geleidelijk verder. In 1819 zijn er nog maar twee brouwerijen over, waarmee het slecht blijkt te gaan. In 1830 tenslotte, blijkt er volgens het kadaster nog maar één brouwerij over te zijn. De brouwerij van Meeghens gelegen aan wat nu Gelderstraat 14 is. In de loop van de 19e eeuw moet deze brouwerij, waarvan weinig bekend is, weer zijn verdwenen. De laatste twee brouwerijen die Hilvarenbeek heeft gekend waren die van de familie Van der Poel, welke de naam De Arend voerde, en De Roos, laatstelijk van de familie De Leijer. Hoewel beide brouwerijen een 19e eeuwse oorsprong hebben en brouwerij De Roos zelfs nog bestaat, is ook hun geschiedenis slechts fragmentarisch bekend.
In 1882 werd bierbrouwerij De Arend gesticht in de tuin van bakker Jan Baptist van der Poel, achter het pand Vrijthof 11. Na de stichting wordt Johannes C. van der Poel eigenaar en brouwer, en in 1899 neemt diens broer Fransciscus J. G. van der Poel het van hem over. Rond 1911 wordt de brouwerij door brand verwoest en verdwijnt hiermee.
|